
Tien jaar College voor de Rechten van de Mens
Tien jaar College voor de Rechten van de Mens
Hieronder volgt enkele teksten uit het document van het College voor de Rechten van de Mens, genaamd, 'Wetsevaluatie Tien jaar College voor de Rechten van de Mens'
De volledige tekst is terug te vinden in de pdf-document hieronder op de pagina 16
6. Effectiviteit
Effectiviteit is van essentieel belang bij het beoordelen van het institutionele kader van een mensenrechteninstituut. Hoewel de wet over effectiviteit als zodanig niets zegt, is de vraag naar de relatie tussen de wettelijke en institutionele randvoorwaarden en de daadwerkelijke impact van het College in deze evaluatie wel degelijk aan de orde.
De bespreking van de verschillende onderdelen van de wet laat zien dat het wettelijke kader de effectiviteit van het College niet in de weg staat. Een belangrijke andere voorwaarde voor een effectieve taakuitvoering is adequate financiering. Door de recente aanvullende middelen die aan het College zijn toegekend, onder andere in het kader van de aanpak van institutioneel racisme, beschikt het inmiddels over een goede financiële basis om de beoogde maatschappelijke impact te bereiken. Het structurele financiële kader van het College bedraagt momenteel 9.446.000 euro, een aanzienlijke verruiming ten opzichte van 2017
Organisatorische wendbaarheid is een andere belangrijke voorwaarde voor relevantie en effectiviteit. Politiek en bestuur, maar ook individuen weten het College steeds beter te vinden als actuele ontwikkelingen vragen om een mensenrechtelijk perspectief of als mensenrechten in de knel lijken te komen. Zo heeft het College zich intensief beziggehouden met alle maatregelen en wetgeving ten tijde van de coronapandemie, en werd gedupeerden van de toeslagenaffaire expliciet gewezen op de mogelijkheid om bij het College een klacht in te dienen over discriminatie. Maar ook wanneer het College niet actief wordt gezocht, is het zaak om voeling te hebben met actuele maatschappelijke vraagstukken en daar waar mogelijk of noodzakelijk proactief op in te spelen. Een zekere flexibiliteit in de inzet van menskracht en middelen is hiervoor rand- voorwaardelijk.
De effectiviteit van het College hangt tenslotte samen met het gezag van het College als oordelende instantie als het gaat om gelijke behandeling. Aangezien de oordelen van het College niet bindend zijn, kan opvolging niet worden afgedwongen en kunnen er geen sancties worden opgelegd. Hoewel de vraag of oordelen niet toch bindend zouden moeten worden met een zekere regelmaat opduikt, leert de ervaring dat partijen in de overgrote meerderheid van de gevallen wel degelijk consequenties verbinden aan een oordeel van het College. Ruim 80 procent van de verweerders neemt maatregelen om te voorkomen dat opnieuw in strijd met de gelijke behandelingswetten wordt gehandeld, of biedt aan het slachtoffer een vorm van genoegdoening. En ook in die zaken waar geen directe oplossingen voorhanden zijn leidt een Collegeoordeel meer dan eens tot maatschappelijk of politiek debat en daarmee tot een proces waarin op termijn verbetering wordt bereikt.13 In de huidige context lijkt het dan ook niet noodzakelijk om de oordelen bindend te maken. Dat laat onverlet dat het zinvol is om naast het monitoren van vervolgacties na een oordeel, te blijven zoeken naar wat het gezag van een College-oordeel verder kan versterken.
13 Dit was bijvoorbeeld het geval in de verschillende zaken tussen gemeenten en woonwagenbewoners. Het College vulde die oordelen aan met eigen onderzoek dat uitmondde in een advies. Dit leidde uiteindelijk tot een aanpassing van het overheidsbeleid.
